Toetshandreiking lerarenopleiding basisonderwijs Wiskunde - Toetsdoelen: domeinen
De rekenkundige bewerkingen en vaardigheden in dit domein zijn van toepassing op Domein 1: Gehele getallen en bewerkingen en Domein 2: Verhoudingen, procenten, breuken en kommagetallen.
Taal
De student kan getallen van quadriljardste tot quadriljard benoemen.
De student weet:
wat het verschil is tussen een getal en een cijfer
wat bedoeld wordt met: positioneel getallenstelsel, plaatswaarde of positiewaarde, decimaal (positioneel) getallensysteem of talstelsel, binair getallensysteem of talstelsel, octaal getallensysteem of talstelsel, hexadecimaal getallensysteem of talstelsel, sexagesimaal getallensysteem of talstelsel
wat bedoeld wordt met de radixnotatie van een talstelsel
wat bedoeld wordt met: informeel, formeel en abstract
wat bedoeld wordt met een inverse relatie
wat bedoeld wordt met automatiseren en memoriseren
De student kent:
de volgende functies van getallen: telgetal of ordinaal getal, hoeveelheidsgetal of kardinaal getal, meetgetal, naamgetal, rekengetal
de bewerkingen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en de bijbehorende aanduidingen: erbij, samen, plus, eraf, verschil, min, aanvullen tot, keer, maal, verdelen en gedeeld door
termen die de bewerking delen beschrijven: verdelen, opdelen en opvermenigvuldigen
termen die de bewerking vermenigvuldigen beschrijven: herhaald optellen en vergroten
termen die de bewerking optellen beschrijven: samenvoegen en springen op getallenlijn
termen die de bewerking aftrekken beschrijven: verschil nemen, vergelijken, wegnemen en wegdenken
- de symbolen: +, -, x, :, =, , <, >, (, ), H, T, E, machten (bijvoorbeeld 2, 3), radix (bijvoorbeeld 2, 8, 16), %, ‰ en de notatie voor breuken en kommagetallen
aanduidingen voor rekenwijzen: schattend, precies, rijgen, splitsen, varia, cijferend rekenen, algoritmisch rekenen, kolomsgewijs rekenen, handig rekenen, compenseren, vergroten en/of verkleinen, flexibel rekenen, tellend rekenen, structurerend rekenen en formeel rekenen
de interpretatie van de volgende woorden in verband met bewerkingen: meer, minder, evenveel, bijna, ruim, afgerond, ongeveer en gemiddeld
de eigenschappen van bewerkingen: commutatieve eigenschap, distributieve eigenschap, associatieve eigenschap
de volgende modellen en schema’s: strook, getallenlijn of lijnmodel, verhoudingstabel, dubbele getallenlijn, rechthoekmodel, groepjesmodel, pijlentaal, positieschema
de student kent de betekenis van: eenheid, tiental, honderdtal, tiende, honderdste, plaatswaarde, positieschema, deler, deeltal, vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal, som, verschil, product, quotiënt
Kennis
De student kent:
algoritmes voor delen, vermenigvuldigen, optellen en aftrekken, waaronder verkort cijferen, kolomsgewijs rekenen
rekenregels voor het rekenen met wortels
rekenregels voor het rekenen met breuken, procenten en kommagetallen
systematiek in het benoemen van (grote en kleine) getallen: miljoen, miljard, biljoen, biljard, triljoen, triljard, quadriljoen, quadriljard; miljoenste, miljardste, …, quadriljardste
Vaardigheden
De student kan:
bewerking uitvoeren volgens standaardprocedures en/of via handig rekenen of varia aanpak
kolomsgewijs rekenen binnen alle basisbewerkingen
verklaren hoe het optelalgoritme, het aftrekalgoritme, het delingsalgoritme en het vermenigvuldigalgoritme werkt
problemen oplossen gebaseerd op twee vergelijkingen met twee onbekenden
formele rekenregels (ook voor breuken en wortels) toepassen voor de vier hoofdbewerkingen ook wanneer in eenvoudige gevallen gerekend wordt met variabelen
effecten van bewerkingen inschatten, bijvoorbeeld op grond van de grootte van de uitkomst en het laatste cijfer
inverse bewerkingen gebruiken bij het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
standaardiseren of normeren (met name ‘op de 100’ en ‘op de 100.000’)
in een situatie of model (eigenschappen van) bewerkingen herkennen of toelichten
gebruik maken van eigenschappen van bewerkingen bij het rekenen
gebruik maken van eigenschappen van getallen bij het rekenen
rekenen met gemiddelden en daaraan betekenis geven
strategieën van kinderen bij het gebruiken van bewerkingen interpreteren en classificeren
getallen (waaronder breuken en kommagetallen) correct positioneren op een getallenlijn
afronden op een rond getal of op een aangegeven aantal cijfers achter de komma
Voorbeelden
De student kan:
- in een gegeven situatie aangeven welke verschijningsvorm een getal heeft
- de opgave 14 x 28 oplossen met behulp van handig rekenen
- bepalen of ¾ + 0,333... groter of kleiner is dan 1
- een getal plaatsen op de getallenlijn precies midden tussen twee andere getallen
- de getallenlijn gebruiken als middel om werking van bewerkingen in beeld te brengen
- het antwoord van __ : 25⁄24 = ⅗ vinden via het uitrekenen van een vermenigvuldiging
- bij het positioneren gebruik maken van ankerpunten zoals ½ en 1 om te bepalen hoever een breuk hiervan verwijderd is
- 2 876 544 afronden op duizenden
- via vermenigvuldiging op een rekenmachine de komma in een getal verplaatsen
- met behulp van een strook uitleggen waarom 15 x 14 = 15 x 10 + 15 x 4
- met behulp van een rechthoek uitleggen waarom 15 x 14 ≠ 10 x 10 + 5 x 4
Taal
De student kent de betekenis van:
priemgetal, driehoeksgetal, vierkantsgetal of kwadraat, macht
GGD (grootste gemene deler) en KGV (kleinste gemene veelvoud)
ontbinden in priemgetallen
een getal schrijven als een product van priemfactoren
resultatief tellen
(a)synchroon tellen
positioneren
een steunpunt
verkort tellen
contextgebonden handelen
objectgebonden handelen
Kennis
De student kent:
de betekenis van een rest bij een (staart)deling
machten in situaties en weet dat een macht geschreven wordt als een grondgetal met een exponent
deelbaarheidskenmerken voor deelbaar door 2, 3, 4, 5 , 6, 8 en 9
kenmerken van positionele en additieve getallenstelsels of talstelsels en de hierbij gebruikelijke radixnotatie
Vaardigheden
De student kan:
bij het rekenen in situaties weloverwogen kiezen voor precies rekenen, schattend rekenen of rekenen met de rekenmachine
regelmaat herkennen in een getalenrij en die gebruiken bij berekeningen (waarbij eerst zo nodig herordend wordt)
deelbaarheid van getalen doorzien en gebruiken in relatie tot verschillende bewerkingen
orde van grootte bepalen en gebruiken bij het rekenen met getallen
situaties herkennen als combinatorische situaties en daarmee rekenen
getalen in eenvoudige gevalen ontbinden in priemfactoren
de KGV en GGD van twee of meer getalen bepalen
Romeinse cijfers gebruiken, tot duizenden
eenvoudige berekeningen maken in het binaire en achttalige stelsel
(andere) positionele getallenstelsels of talstelsels herkennen en in eenvoudige gevallen de betreffende getallen omrekenen naar het decimale stelsel, en vice versa
De student kan:
- bedenken of een antwoord een getal in duizenden geeft of in miljoenen
- het decimale getal 25 schrijven als binair getal
- beredeneren wat kenmerkend is voor de reeks: 1, 4, 9, 16, 25, 36, …
- 34258 = 181310
- beredeneren dat het voor de hand ligt het aantal leerlingen op Nederlandse basisscholen aan te geven in miljoenen
- in berekeningen er gebruik van maken dat een breuk beschouwd kan worden als een deling
- in berekeningen er gebruik van maken dat ‘deel van’ bij een breuk hetzelfde is als vermenigvuldigen
- dat, wanneer een getal deelbaar is door andere getallen, het dan ook deelbaar is door de KGV van deze andere getallen
Taal
De student kent:
de volgende aanduidingen in verband met rationale getallen: teller, noemer, breukstreep, gelijkwaardig, equivalent, gelijknamig en vereenvoudigen, rationaal getal, decimaal getal en decimale breuk, gemengd getal, echte breuk, stambreuk, repetendum, bemiddelende grootheid, ondermaat, repeterende breuk, procenten-asymmetrie, evenredig verband, procent, promille, procentpunt, wortel
de verschijningsvormen van een rationaal getal: verhouding, maat, rekengetal, deel-geheel, operator
de betekenis van btw, inflatie
-
π (pi) als verhouding tussen omtrek en diameter van cirkel en weet dat dit verhoudingsgetal ongeveer 3,14 of 22/7 is
De student weet wat bedoeld wordt met:
kwalitatieve en kwantitatieve verhoudingen
evenredigheid en evenredig verband en niet-evenredig verband
lineair verband
absoluut en relatief
Kennis
De student kent:
- kommagetallen en percentages die horen bij de breuken 1⁄2, 1⁄3, 1⁄4, 1⁄5, 1⁄6, 1⁄7, 1⁄8, 1⁄9, 1⁄10, 1⁄11 en 3⁄4
- de waarden die horen bij de wortels: √4, √9, √16 etc.
de gelijkwaardigheid tussen breuken met een macht van 10 in de noemer en bijbehorende kommagetallen
verschillende manieren om schaal aan te geven
rekenregels voor het rekenen in een verhoudingstabel en op een dubbele getallenlijn
het verschil tussen procent en procentpunt
De student weet:
dat samengestelde grootheden verhoudingen zijn
wat de termen incl. en excl. btw inhouden
dat inflatie verhoudingsgewijze geldontwaarding is
wat rente is en hoe rente over rente berekend wordt
wat een promillage is en wat het verband is met percentage
dat procenten in het algemeen operatoren zijn
een percentage een gestandaardiseerde verhouding is
dat breuken zowel een relatief als een absoluut karakter hebben
dat een breuk geen gestandaardiseerde verhouding is
dat een kommagetal een gestandaardiseerde breuk is
dat worteltrekken de inverse is van kwadrateren
dat een procentpunt een getal is
dat kansen in het algemeen verschijnen in de vorm van verhoudingen
hoe repeterende breuken in symbooltaal genoteerd kunnen worden
Vaardigheden
De student kan:
ongeacht de verschijningsvorm, een rationaal getal vergelijken met een ander rationaal getal
ongeacht de verschijningsvorm, rekenen met rationale getallen
indien er geen sprake is van een repeterende breuk, een breuk omzetten in een kommagetal en omgekeerd: een kommagetal omzetten in een breuk
in eenvoudige gevallen een repeterende breuk, uitgedrukt als een kommagetal, omzetten in een breuk in de meest vereenvoudigde vorm
in eenvoudige gevallen bij het omrekenen van een breuk naar een kommagetal met een repetendum, aangeven welk deel repeterend is
in eenvoudige situaties met wortels rekenen en vergelijken
relaties tussen breuken, verhoudingen (waaronder deel-geheel), procenten en kommagetallen afleiden en gebruiken in berekeningen
verhoudingsituaties relateren aan absolute gegevens
het relatieve karakter van verhoudingen gebruiken in situaties waarin ook sprake is van absolute gegevens
bij het verhoudingsgewijs rekenen een vuistregel ontwikkelen
rekenregels in verhoudingstabel en dubbele getalenlijn toepassen en begrijpen, ook wanneer deze zijn aangeduid in variabelen
situaties verhoudingsgewijs vergelijken
beoordelen of een situatie wel of niet een verhoudingssituatie is
iedere efficiënte wijze van het berekenen van toe- of afnames in percentages (incl. btw berekeningen) toepassen of herleiden
bij het rekenen met procenten deel, geheel of percentage achterhalen, wanneer twee van deze drie gegeven zijn en ook wanneer deel en/of geheel grote getallen zijn
in berekeningen zo nodig rekening houden met de procentenasymmetrie
een procentuele toe- of afname omzetten in een vermenigvuldigingsfactor
een procentuele toe- of afname zowel in procenten als in procentpunten uitdrukken
efficiënte wijze van rente op rente berekeningen herkennen en gebruiken
een stijging en/of daling in absolute gegevens omzetten in een percentage en omgekeerd een gegeven stijgings- en/of dalingspercentage omzetten in daling of stijging in absolute gegevens
rekenen met percentages boven 100 procent en kunnen interpreteren in welke situaties er geen sprake kan zijn van meer dan 100 procent
rekenen met promillen, wanneer die in relevante situaties naar voren komen of wanneer situaties in termen van promillen beschreven moeten worden
berekeningen met procenten weergeven in een strookmodel en verhoudingsmodel en beoordelen of de weergave passend is bij de bewerking en/of de situatie
bepalen of gegeven breuken (on)gelijkwaardig zijn en hieraan wiskundig correcte consequenties verbinden
rekenen met getallen die zo groot of klein zijn dat ze niet passen in het scherm van de rekenmachine en hierbij de wetenschappelijke notatie gebruiken
kommagetallen doorzien vanuit de decimale structuur
in eenvoudige gevallen de kans op een gebeurtenis uitrekenen
Voorbeelden
Een student kan:
2/50 schrijven als kommagetal
0,0734 schrijven als breuk in de meest vereenvoudigde vorm
nagaan of de volgende bewering waar is: 2,5% van 3400 is evenveel als het 1/40 deel van 3400
een breuk (als operator) omzetten in een percentage
bij een aanbieding ‘5 halen, 3 betalen’ de korting bepalen als percentage
betekenis geven aan prijslabels bij korting of prijs per kilogram
omrekenen van bedragen in Koreaanse won naar euro (bij gegeven wisselkoers)
verhoudingsgewijs rekenen met schaduwen
het probleem oplossen: ‘De prijs van een product in de winkel is € 125,-. Janneke berekent de prijs ex. btw. Zij typt in op haar rekenmachine: 125 : …….=. Welk getal hoort op de plaats van de stipjes?’
het probleem oplossen: ‘bedrag inclusief btw is € 59,95; wat is prijs zonder btw (als deling op de rekenmachine)’
interpreteren: prijsverhoging van 250%, namelijk het oorspronkelijke bedrag drieënhalf keer nemen
bepalen wat 100% is in situaties waarin met percentages gerekend wordt
berekenen dat als een politieke partij vier jaar geleden 24% van de stemmen had en nu nog maar 16 procent, hoeveel procent en procentpunt deze vermindering is
ingekleurde delen van geometrische figuren benoemen als een breuk
beoordelen welke situatie past bij de formele opgave 2 1/3 x 3 ½
in de situatie: ‘3/5 deel van 225 bezoekers was ontevreden’ de verschijningsvorm van ‘3/5’ achterhalen
bepalen: 1/2 + 1/4 + 1/8 + 1/16 + 1/32 + 1/64 = (63/64)
een getal afronden op honderdsten, duizendsten of miljoensten
de kans bepalen op 12 ogen bij het werpen met twee dobbelstenen
- de uitkomst bepalen van eenvoudige wortelopgaven zoals: √4, √9, √4 x √9
Taal
De student kent:
standaardmaten (of niet natuurlijke maten) voor de grootheden lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid, temperatuur, geld, dichtheid en informatiedrager: meter, vierkante meter, kubieke meter, liter, gram, meter per seconde, kilometer per uur, graden Celsius, Kelvin of Fahrenheit, euro (of buitenlandse valuta), aantal per vierkante meter (of andere oppervlaktemaat) of aantal per kubieke meter (of andere inhoudsmaat), byte en bit
de voorvoegsels pico, nano, micro, mili, centi, deci, deca, hecto, kilo, mega, giga, tera en kan deze gebruiken om aanduidingen voor maten te construeren
buitenlandse maten inch en mile
kubieke centimeter (cc)
de natuurlijke maten: stap, handspan, duim, el, vadem en voet
De student weet:
dat een kubieke centimeter een milliliter is, een kubieke decimeter een liter is en een kubieke meter een kiloliter is
wat een (standaard) eenheid en een maat is
wat een (samengestelde) grootheid is
wat bedoeld wordt met meetnauwkeurigheid
wat bedoeld wordt met referentiegetal en referentiemaat
Kennis
De student kent:
gangbare meetinstrumenten voor lengte, inhoud, gewicht, tijd en snelheid
het verschil tussen stompe, rechthoekige, gestrekte en scherpe hoeken
sexagesimale karakter van tijdrekenen
De student weet:
dat een liter water (ongeveer) een kilogram weegt
dat het begrip grootheid zinloos is zonder de bijbehorende eenheid
dat een object niet altijd gemeten wordt in de standaardeenheid als maat
wat de betekenis is van meetvoorvoegsels in relatie tot standaardmaten
dat er in het algemeen geen relatie is tussen de omtrek en de oppervlakte van een object
wat er gebeurt bij het ingaan van de zomertijd en de wintertijd
dat de som van de hoeken van een driehoek 180 graden is en de som van een vierhoek 360 graden
wat er bedoeld wordt met de straal en de diameter bij een cirkel en een bol
Vaardigheid
De student kan in alledaagse situaties, zonder een gegeven formule en wanneer voldoende gegevens bekend zijn:
de omtrek bepalen van een tweedimensionaal gesloten object dat bestaat uit rechte grenslijnen, van een cirkel, en van objecten die zijn samengesteld uit deze vormen, en de gevonden lengte beschrijven met een passende of gevraagde maat, eventueel gebruikmakend van de stelling van Pythagoras
de oppervlakte bepalen van een rechthoek, een driehoek, een parallellogram, een (segment van een) cirkel en van objecten die zijn samengesteld uit deze vormen, en deze oppervlakte beschrijven met een passende of gevraagde maat
de inhoud bepalen van een (algemeen) object met rechtopstaande wanden (met gegeven oppervlakte grondvlak) (telkens ‘opp. grondvlak × hoogte’) en van objecten die zijn samengesteld uit deze vormen, en deze inhoud beschrijven met een passende of gevraagde maat
De student kan bij hier niet benoemde figuren situaties, met een gegeven formule en wanneer voldoende gegevens bekend zijn, de oppervlakte en inhoud berekenen.
De student kan in alledaagse situaties, wanneer voldoende gegevens bekend zijn:
berekeningen met meetgetallen (in eenzelfde grootheid) maken, wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft
berekeningen maken waarin de grootheden snelheid, lengte en tijd met elkaar in verband moeten worden gebracht
rekenen met (andere) samengestelde grootheden
uit een situatie een samengestelde maat ontwikkelen
een gegeven samengestelde maat omzetten naar een andere
een afstand bepalen door lengtes op te tellen
een maat bij de grootheden lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, geld, snelheid, dichtheid en soortgelijk gewicht omrekenen in iedere andere van dezelfde grootheid
rekenen met ‘schaal’
De student kan in alledaagse situaties:
meetgetallen gepast afronden
correct gebruik maken van kwadratische vergroting bij oppervlakte
correct gebruik maken van kubische vergroting bij inhoud
correct gebruik maken van een vergrotingsfactor
in eenvoudige gevallen samengestelde maten en grootheden construeren
bij het omrekenen van niet-metrische maten een formule of omrekenregel gebruiken
in eenvoudige gevallen een formule construeren bij een verband tussen maten
De student kan in beroepsspecifieke situaties meetactiviteiten beoordelen, wanneer daarbij meetkennis of –vaardigheden aan de orde zijn als boven genoemd. Dat geldt ook wanneer deze situaties samenhangen met andere vakken vormingsgebieden dan wiskunde.
Voorbeelden
De student kan in de volgende situaties, al dan niet gebruikmakend van een rekenmachine, passende berekeningen, analyses of interpretaties maken:
vullen van een zwembad (met een inhoud in kubieke meter) met een tuinslang, waaruit 10 liter per minuut komt
de inhoud van een verpakking bepalen, wanneer buitenmaten gegeven zijn
de hoogte bepalen van het water in een (vreemd gevormd) aquarium, wanneer de inhoud en oppervlakte van het grondvlak gegeven is en wanneer de randen recht omhoog staan
de omtrek en oppervlakte bepalen van een stuk land (ook wanneer dit schematisch op een kaart is aangegeven)
een snelheid in meter per minuut omrekenen in kilometer per dag
met behulp van een kaart en de daarop aangegeven schaal de oppervlakte van een driehoekig stuk land uitrekenen
de inhoud van een zwembad berekenen
de inhoud van een schaalmodel uitrekenen met behulp van een vergrotingsfactor
prijs per kilogram uitrekenen als prijs en gewicht gegeven zijn
een maat construeren voor de dichtheid van gras (bijvoorbeeld aantal sprietjes per vierkante meter)
fouten van kinderen herkennen zoals bijvoorbeeld het verkeerd samennemen of anderszins gebruiken van meetgetallen
omrekenen van graden Celsius naar graden Fahrenheit met behulp van een omrekenregel of omgekeerd een rekenregel ontwikkelen of waarderen voor dit omrekenen als verschillende gevallen gegeven zijn
Taal
De student kent:
de vlakke figuren: cirkel, parallellogram (incl. speciale vormen: ruit, vierkant, rechthoek), regelmatige n-hoek, trapezium en driehoek (incl. speciale vormen: gelijkbenige driehoek, gelijkzijdige driehoek, stomphoekige driehoek, scherphoekige driehoek)
de ruimtelijke figuren: prisma (incl. speciale vormen: parallellepipedum, balk en kubus), cilinder, bol, kegel en piramide
de Platonische lichamen: regelmatig viervlak, kubus, regelmatig achtvlak, regelmatig 12-vlak en regelmatig 20-vlak
benamingen en omschrijvingen van (eigenschappen van) figuren: symmetrie, evenwijdigheid, loodrecht, hoek, zijden, zijvlakken, ribben, hoekpunten en gelijkvormigheid
aanzichten van ruimtelijke figuren: boven, voor, achter, links en rechts
de transformaties: roteren, lijnspiegelen, puntspiegelen en transleren of verschuiven
De student weet wat bedoeld wordt met:
snijdende lijnen, kruisende lijnen, evenwijdige lijnen, middellijn en diagonaal
rechte hoek, scherpe hoek, stompe hoek en gestrekte hoek
perspectief
congruentie
gelijkvormigheid
translatie
figuren samenstellen
schaduwbeeld
doorsnede
vlakvulling
twee en driedimensionaal
hoogtegetallen
Kennis
De student kent:
de vlakke ruimtelijke figuren cirkel, parallellogram (incl. speciale vormen: ruit, vierkant, rechthoek), vlieger, trapezium en driehoek
de ruimtelijke figuren prisma (incl. speciale vormen: parallellepipedum, blok en kubus), bol, cilinder, kegel en piramide
meetkundige transformaties als spiegelen, roteren en transleren (verschuiven) en kan deze herkennen in situaties
meetkundige activiteiten als viseren, oriënteren, lokaliseren, construeren en transformeren en kan deze herkennen in situaties
de notatie van punten in een assenstelsel met behulp van coördinaten
De student weet:
wat aanzichten van ruimtelijke figuren zijn, in het bijzonder bij blokkenbouwwerken
wat een uitslag van een ruimtelijke figuur is
wat lijn-, draai- en puntsymmetrie is
dat een symmetrieas een vlakke figuur in twee delen verdeelt, die gespiegeld zijn en op elkaar passen
dat snijdende lijnen in een driedimensionale ruimte in hetzelfde vlak liggen dat kruisende lijnen in een driedimensionale ruimte niet in hetzelfde vlak liggen
wat een viseerlijn is
wat een doorsnede is
wat een uitslag van een figuur is
welke vorm de doorsnede van een balk, kegel of piramide met een plat vlak kan hebben
dat bij een translatie het beeld congruent is met het origineel
Vaardigheden
De student kan:
in alledaagse situaties passende meetkundige activiteiten toepassen, zoals viseren, projecteren, transformeren, construeren en meetkundig redeneren, ook wanneer dit vraagt om een herformulering of andere weergave van de situatie
coördinaten bij een kaart of een atlas lezen en gebruiken
meetkundige problemen zo herformuleren dat deze rekenwerk mogelijk maken
een uitslag van een ruimtelijk figuur construeren en beoordelen
bij een meetkundige transformatie een mentale voorstelling maken van een translatie, de positie van de spiegelas, het draaipunt of het symmetriepunt
in een assenstelsel een origineel roteren over 90˚, 180˚ of 270˚ en het beeld bepalen
een origineel spiegelen in een gegeven lijn of in een gegeven punt en het beeldpunt bepalen
een schaduwbeeld tekenen bij een gegeven lichtbron
doorsnedes maken van ruimtelijke figuren
regelmatige vlakvullingen voortzetten
bouwwerken van blokken vastleggen in een plattegrond met hoogtegetallen
aangeven waarom een uitslag bij een bepaalde figuur hoort
De student kan in beroepsspecifieke situaties meetkundeactiviteiten beoordelen, wanneer daarbij meetkundekennis of -vaardigheden aan de orde zijn als boven genoemd.
Voorbeelden
Studenten kunnen bijvoorbeeld:
een uitslag van een prisma (re)construeren
routes beschrijven met meetkundige middelen
het aantal blokjes bepalen van een blokkenbouwwerk, waarvan aanzichten gegeven zijn
in een context van bewakingscamera’s redeneren aan de hand van viseerlijnen
het aantal ribben bepalen van een regelmatig 20-vlak
een mentale voorsteling maken hoe een zijaanzicht van invloed kan zijn bij het interpreteren naar een bovenaanzicht
bij een gegeven lichtbron (zon of lamp) beoordelen of de getekende schaduw daadwerkelijk zo zal optreden
benoemen welke vorm de doorsnede van een kubus, piramide of kegel kan hebben
een regelmatige vlakvuling voortzetten
bepalen welke bouwwerk bij een plattegrond met hoogtegetalen past
Taal
De student kent:
de volgende grafische weergaven: lijngrafiek, cirkeldiagram, histogram, staafdiagram, stengel- en bladdiagram of steelbladdiagram, blokdiagram, puntenwolk, stroomdiagram, beelddiagram, infographic en boxplot
de volgende typen van functies: lineair, kwadratisch en exponentieel
woorden en aanduidingen bij grafieken: assen, schaal binnen de grafiek, sectoren, graden, minuten, legenda, ordenen, schematisch, representeren, stijgen, dalen, afname, toename, maximum, minimum, discreet, continu en discontinu
de centrummaten: gemiddelde, mediaan en modus
de boxplotkwartielen: Q1, Q2 (mediaan) en Q3
modellen om verbanden aan te geven: cirkel (sectordiagram), strook (figuur), (dubbele) getallenlijn, verhoudingstabel
de begrippen index, geïndexeerd
het begrip vaste kosten of vaste lasten
Kennis
De student weet:
welke grafiek in welke situatie passend en bruikbaar is
waarvoor een zaagtand in de y-as van een grafiek wordt gebruikt
Vaardigheid
De student kan:
grafieken, tabellen of schematische weergaven van gegevens lezen en interpreteren
grafieken die samenhangen met het registeren en vastleggen van vorderingen van leerlingen of groepen leerlingen interpreteren en gebruiken
gegevens in verschilende grafieken vergelijken
misleidende informatie doorzien
getalsmatige gegevens uit grafieken halen, bijvoorbeeld om hiermee te rekenen
ontwikkeling in data herkennen in grafieken
grafieken koppelen aan eenvoudige vergelijkingen of rekenregels en omgekeerd
centrummaten bij gegeven getalsmatige informatie bepalen
achterhalen wat het effect van veranderingen in de data is op de centrummaten
schalen die subjectieve gegevens weergeven interpreteren
conclusies trekken op basis van onderzoek; causaal verband, correlatie of significantie
De student kan in beroepsspecifieke situaties activiteiten rond verbanden beoordelen, wanneer daarbij kennis of vaardigheden aan de orde zijn als boven genoemd. Dat geldt ook wanneer die andere vak- en vormingsgebieden betreffen dan wiskunde.
Voorbeelden
De student kan:
een grafiek die de dolarkoers over enkele maanden weergeeft lezen en interpreteren
uit een grafiek waarin de dolarkoers is uitgezet tegen de euro omzetten in een grafiek waarin de eurokoers is uitgezet tegen de dolar
uit een (passende) grafiek aflezen hoe laat de zon opkomt op 18 april 2012
van een rekenregel voor een taxiprijs (€ 7,20 voor de eerste 2 km, daarna € 2,60 per kilometer) een grafiek opstellen (of herkennen uit een reeks gegeven grafieken)
grafieken uit het LOVS lezen en interpreteren
aangeven in welke richting de gemiddelde lengte, modale lengte en mediaan van de lengte van een groep verandert, wanneer er een bijzonder lang persoon aan de groep wordt toegevoegd